Controleer of je de trappers goed hebt aangebonden: als schacht 1-3-5-7 omhoog gaan moeten de van de schachten 1-3-5-7 met de korte koorden aan de onderste schemel worden verbonden. De schachten 2-4-6-8 worden dan met de lange koorden aan de bovenste schemels verbonden. Zorg altijd dat je de koorden van de oorspronkelijke lengte gebruikt en dat je van het koord zowel bij de lus als bij de trapper verbinding het eerste 'echte' gaatje achter de doorgesneden lus gebruikt. Als de koorden aan de schemels zijn bevestigd hangen de onderkanten van de koorden op gelijke hoogte.
Controleer of alles soepel beweegt. Soms zijn er koorden of hevels die de beweging van een bepaalde schacht belemmeren. Controleer of de koorden aan de zijkant van de schachten goed in de schachthouders zitten.
Controleer de riethoogte (doe dit terwijl er een weefsel is ingeregen en de trappers zijn aangebonden. Aan de onderzijde van beide staanders van de rietlade bevinden zich inschroefscharnieren. Als je een pedaal indrukt, moet de onderste helft van de weefsprong de rietlade net raken. Als dit niet goed is afgesteld heeft dit invloed op de grootte van de weefsprong. Deze scharnieren moet je er dieper in draaien (om te laten zakken) zodat de schering ongeveer in het midden van het riet rust, voordat je een trapper indrukt.
Steek de blokkeerpen door de zwart gemarkeerde texsolv-ogen. Controleer of de schachten en schemels waterpas en op dezelfde hoogte staan? Zo niet dan kun je dat aanpassen door aan de witte kunststof kartelmoer te draaien. Controleer de hoogtes in de beschrijving die in je vindt in onderstaande artikelen
Opmerkingen
0 opmerkingen
U moet u aanmelden om een opmerking te plaatsen.